Nadine Callebaut


Nadine Callebaut (°1958) volgde haar opleiding aan Sint-Lucas in Gent, ze woont en werkt in haar atelier in Wingene en exposeerde al op verschillende plaatsen in België, Nederland en Duitsland. Voor de opbouw van haar schilderijen gebruikt Callebaut traditionele technieken, die ze combineert met hedendaagse materialen. De basisdrager is vaak een houten paneel waarop vervolgens marouflages worden aangebracht met gewassen lijnwaad, ongeprepareerd doek of bewerkt papier. De marouflages worden aangebracht met een zelfbereide zuurvrije lijm en slechts op kleine stukjes van het werk uitgevoerd, daar waar een dieptezicht verkregen wil worden. Daarop komt een voorschildering en/of withoging (grisaille). Hierop komt vervolgens één of meerdere marouflages van oliehoudend harslinnen-papier en worden de gezichten geschilderd in een olie-glacistechniek, dat is het schilderen in fijne, transparante olieverflagen waarbij de basiskleuren worden gemengd met een zelfbereid medium (transparantie), en waarbij de eigenlijke kleur op de schildering wordt bekomen. Dit is dezelfde techniek die Van Eyck gebruikte om perspectief en dieptezich te bekomen. De eigenljke schildering wordt op speciaal fresco papier gedaan waarop uitvloeiing niet mogelijk is, daardoor zijn de gezichten zo gedetailleerd. Tussen de verschillende lagen bevinden zich verschillende materialen zoals stoffen en linnen om kleur, licht en schaduw te bekomen. Als eindlaag wordt teerhars en, al dan niet gekleurde, wax-vernis gebruikt.

Het vertrektpunt is voor Nadine Callebaut het eigen denken en de eigen ervaringen, maar hebben de bedoeling het persoonlijke te overstijgen en zo universeel menselijke afbeeldingen te bekomen. Verschillende emoties en de dagelijkse werkelijkheid vinden dus een rechtstreekse weerslag in het werk: over de nood aan menselijk contact en de mislukking ervan, van de relativiteit van het leven, tot thema’s als geweld en vergankelijkheid. De figuren zijn allen gekwetst en bewegingsloos, alsof ze gestold zijn. Het denken wordt veruitwendigd in een poging betekenissen te vatten en ze door middel van materie uit te beelden. Toch willen ze niet somber of troosteloos ogen, maar wel een dualiteit benadrukken, zoals lijden zijn tegengewicht vindt in liefde, dreiging bescherming mogelijk maakt en het lelijke het mooie impliceert. Tegenover gefragmenteerdheid staat een nieuwe éénheid, een nieuw evenwicht en een andere identiteit. Tegelijk brengt Callebaut een reflectie op de figuren versus hun innerlijke afbeeldingen: “Het ligt nooit in mijn bedoeling gelijkende, noch psychologische afbeeldingen van personen te maken, maar innerlijke afbeeldingen van de geest van de mens. Het zijn geen personen met een verhaal, maar portretten van een mens geconfronteerd met een veelheid van verwarrende gevoelens, reagerend op gebeurtenissen in de wereld, die streven naar éénheid, met zichzelf en met zijn omgeving”. Het werk ontstaat uit een soort verscheurdheid, door de bezorgdheden en de kwetsuren in de maatschappij en in jezelf samen te voegen kan je ze objectiveren en herstelt het de verbondenheid, de eenheid. Dit houdt een hollistische benadering van de dingen in (eenheden, heelheden, hollogrammen). Er blijft een algemene fascinatie spreken over het fenomeen “tijd” en de invloed ervan op onze herrineringen en ervaringen. De figuren tonen hoe tijd omgaat met vergankelijkheid en hun onlosmakelijke verbondenheid. Het werk streeft naar een rustpunt, de vluchtigheid, de overdaad aan beelden, het voortdurend beweegelijke eigen aan deze tijd en cultuur moet teruggedrongen worden, tot iets voorgoed stilstaat. Een gelaat dat niets meer toont dan wat gelaten trekken, maar daardoor juist alles verraadt.